Erick van Egeraat’s review on the recently reopened Rijksmuseum in Amsterdam was published in the National newspaper Trouw today. The title ‘Gentlemen-architects rescue the Netherlands’, refers to Antonio Cruz & Antonio Ortiz, the Spanish architects who succeeded in a superb renovation, which Dutch architects never would have been able to achieve.
See below for the complete article:
Gentlemen Architects redden Nederland
Opening
Koningin Beatrix opende zaterdag het spectaculair vernieuwde Rijksmuseum in Amsterdam zoals ze dat eerder in 2009 bij het Paleis op de Dam deed; vorstelijk en met een zekere zelfverzekerdheid; alsof ze het allemaal zelf had gedaan. In het geval van het Paleis op de Dam had ze dat eigenlijk ook. Het resultaat van die interieur renovatie, van het door Jacob van Campen in 1665 gebouwde stadhuis, is grandioos en glorieus zoals we nu weten. Het Paleis op de Dam, royaal op tijd gereed voor de troonsopvolging eind deze maand en inmiddels ook van buiten gerestaureerd, was altijd al een beetje het troetelkindje van Koningin Beatrix. Nu dus ook het Rijksmuseum, vorstelijk, genereus en welgesteld, eindelijk weer open voor het publiek. En hoe!
Rijksmuseum van wereld formaat
Het resultaat is verbluffend. Grandioze uitstraling, herkenbare routing en een uitzonderlijk effectieve presentatie van Nederlands cultuurgoed van Rembrandt tot Jan Cremer. Het Rijksmuseum wordt in 1885 gebouwd door de Nederlandse architect Pierre Cuypers, ook de architect van het Amsterdamse Centraal Station. De recente verbouwing door het Spaanse architecten duo Antonio Cruz & Antonio Ortiz en de Franse architect Jean Michel Wilmotte duurde misschien meer dan 10 jaar en kostte meer dan 350 miljoen Euro, maar maakt het Rijksmuseum in een klap weer een museum van wereld formaat. Niet ten prooi gevallen aan de Nederlandse moderniseringsdrift en zo goed verbouwd dat het nooit door een Nederlandse architect zou kunnen zijn gerealiseerd.
Rijksbouwmeesters keuze
Verantwoordelijk voor de keuze van Cruz y Ortiz is Jo Coenen, die van 2000 tot en met 2004 Rijksbouwmeester was. Eerder had Hans Ruijssenaars, die feitelijk door ex-museumdirecteur Henk van Os was aangesteld, na vijf jaar werk het veld moeten ruimen. Een keuze voor buitenlanders was misschien niet geheel onomstreden, maar ook niet onverwachts. Jo Coenen, zelf een grote fan van Spaanse bouwmeester Rafael Moneo, heeft altijd al een grote sensitiviteit voor de vakkundigheid van collega’s uit Italie en Spanje gehad. Hij was het die goed heeft aangevoeld dat deze opgave er vooral een van vakmanschap en vakbekwaamheid is. Spitsvondige moderniteiten, maar ook een al te welwillende compromisbereidheid van architecten was niet gewenst.
Compromis
Bij de vooropening afgelopen vrijdagavond spraken de Spaanse architecten elegant en professioneel, maar ook gedecideerd over de opgave. Antonio Cruz: “Nederlandse collega’s staan bekend om hun innovatieve aanpak, maar dit gebouw vraagt om een andere aandacht, je wilt hier voornamelijk alle details beheersen.” Antonio Ortiz, zichtbaar aangedaan door gebrek aan zorgvuldigheid, wijst op een stel kabels die voor openingsfestiviteiten op de natuurstenen wanden en vloeren zijn vastgekleefd: “Ik begrijp de mensen hier soms nog steeds niet. Waarom?” Over de samenwerking met Jean Michel Wilmotte zegt Antonio Cruz: “Ongelofelijk, de zorgvuldigheid waarmee hij werkt. Elk detail, elke keuze wordt weloverwogen en heel nauwkeurig gemaakt. Wij hebben heel veel respect voor hem”. Uiteraard hebben de Spaanse architecten te maken gehad met de Nederlandse obsessie overal consensus over te willen bereiken. Zo moesten zij hun plannen drie keer vergaand aanpassen en de geplande hoofdentree in de veel bediscussieerde onderdoorgang vervangen door entrees naast en onder deze onderdoorgang. Petities, jarenlang durende heftige discussie in Gemeente- en Stadsdeelraad hebben voor veel ophef en de nodige vertraging gezorgd. Maar op deze vrijdagavond verandert de omstreden ruimte in een fantastische clubruimte; zaterdagochtend dient het -compleet met oranje loper – als ontvangstruimte. Volledig van glas voorzien wordt het één met de grootse entreeruimte in het souterrain. Ondertussen gaat -geheel in Nederlandse traditie- de discussie over het gebruik van de onderdoorgang voor fietsers, ook nu nog in volle gang door.
Voortreffelijk materiaal- en kleurgebruik
Over de geheel vernieuwde presentatie van de vele kunstwerken is al veel geschreven. Uiterst beheerst, maar nergens saai en museum-armoedig. Cruz, Ortiz en Wilmotte weten dat het vooral van het materialiseren van hun ontwerpen moet komen. Strakke eiken houten tapis parket vloeren in de zalen met aubergine kleurige wanden vormen een genereus decor voor de indrukwekkende kunst. Waar het bleke wit van menig museum de kleuren uit de Hollandse Meesters zouden trekken, versterkt de door Wilmotte geraffineerd gekozen bruin-paarse wandafwerking elk detail van de wereldvermaarde schilderkunst. Dat de Nederlandse architect Moshé Zwarts dit ontwerp met een “Rembrandt en Frans Hals zouden zich omdraaien in hun graf als ze zouden zien waar ze al die jaren hebben gehangen” en een “(veel te) katholiek” afdoet, zegt meer over het zijn eigen werk dan over dit schitterende museum. Rembrandt zou in zijn ogen wrijven als hij zou weten dat hij vier eeuwen later zo zou worden tentoongesteld. Maar ook de ingrepen van Cruz y Ortiz in de grootste ontvangsthal zijn verbluffend. De wanden, traptreden en vloeren zijn gemaakt van heel passend crèmekleurige massieve natuursteen. Massief, ja; nu eens niet als plakstrips van de Gamma op een ondergrond aangebracht, maar altijd massief (soms meer dan 200 mm dik) verwerkt. Dit maakt dat je begrijpt dat er van alles aan is gedaan om de fantastische collectie én het gebouw van Cuypers te versterken. Er is in Nederland gewoon geen gebouw zo goed ontworpen en gemaakt. Elke voeg, elk detail is voorbeeldig. Het is het resultaat van kwaliteit en doorzettingsvermogen; geen vrucht van het Nederlandse poldermodel, integendeel. Een goed product is niet afhankelijk van het proces, maar van de juiste gedachte en overtuiging. En wat een overtuiging, wat een verademing in vergelijking met de anders vaak zo armetierige detaillering van meer recente Nederlandse gebouwen!
Gentlemen architects
Antonio Cruz, Antonio Ortiz en Jean Michel Wilmotte hebben nog een ding gemeen; het zijn uitgesproken “gentlemen architects”. Nette heren in een pak. Geen zwaarmoedig betoog of geschreeuw. Opgevoed en opgeleid in een onmiskenbaar andere omgeving dan de Nederlandse polder, hebben zij van zorgvuldigheid en beheersing hun vak gemaakt. Wilmotte diende aan het hof van François Mitterand en verzorgde in de jaren tachtig het interieur van het Palais de l’Elysée voor de Franse president. Maar hij is ook actief in een grootschaliger stedelijke context. Altijd even geraffineerd en exact. Zijn Spaanse collega’s Cruz y Ortiz zijn beiden in Madrid opgeleid en bouwen zelfs hun grootse sport stadions met een nauwkeurigheid die je meer bij haute couture verwacht. Het merk “Amsterdam, Nederland” heeft een enorme boost gekregen; het geld is allang terug verdiend. En dat is wellicht het meest verbazingwekkende. In de huidige economische crisis, waarin menigeen in Europa de Spaanse overheid als verkwistend heeft verketterd, is dat land zelfs nu nog een voedingsbodem voor geraffineerdheid en finesse. Een finesse die meer duurzaamheid en blijvende waarde brengt dan menig krampachtig, door zuinigheid gedreven product van Nederlandse bodem. Misschien is dit wel de grootste verdienste van het duo Cruz y Ortiz en Wilmotte voor Nederland. Het besef dat duurzaamheid van onze cultuur en ons bestaan niet alleen voortkomt uit degelijkheid en zuinigheid, maar vooral uit zorgvuldigheid en generositeit. Een generositeit, passend bij een land dat tot een van de welvarendste ter wereld moet worden gerekend. Dat we dat in 2013 nog van een paar Spanjaarden en een Fransman moeten leren! Wat zal Rembrandt zich daar over hebben verbaasd en verwonderd.
Architect Prof. Ir. Erick van Egeraat